Posts tonen met het label overpeinzingen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label overpeinzingen. Alle posts tonen

18 december 2007

Cultuurverschil

"Gatver! Koude pannenkoeken?!" zei B, terwijl ik de aan elkaar gekoekte baksels van de vorige avond uit elkaar probeerde te plukken.
"Niets lekkerder dan koude pannenkoeken bij het ontbijt. Heb je dat serieus nog nooit gedaan?"
Zijn gezicht sprak gruwende boekdelen.

"Hè?! Hoe doe je dat nou, met je sokken? Op elkaar en dan samen rollen?"
Hij deed het voor. Het resultaat was een zeer compact bolletje sok. Veel mooier dan mijn sokworsten. Ik steek altijd mijn hand tot ergens bij de hiel in de ene sok, leg de andere sok er dwars overheen en trek het hele gebeuren vervolgens binnenstebuiten. Hij rolde vanaf de teen en sloeg het manchetje om. Veel mooier.

Met ferme hand rolde hij zijn ei aan gruzelementen op tafel. Eiercraquelé. Zijn vingertoppen pulkten delicaat de eierschaalsplinters van het ei. Vol verbazing keek ik toe. Ik tik het ei altijd met z'n koppie tegen de rand van de wasbak en pel het vervolgens onder de kraan; niets zo vies als eierschaalsplinters tussen je kiezen.

"Pastakliekjes opbakken? Echt?!" zei hij.
"Jaaaa! Macaroni met ham en kaas, en dan de volgende dag in de koekenpan zodat de elleboogjes lekker hard en bruinig worden. 'Bak', noemden we dat altijd. En daar vochten we om, thuis. Zoveel mogelijk Bak. Eigenlijk was Bak lekkerder dan de oorspronkelijke macaroni."
"Bizar," zei hij, hoofdschuddend.

Samenwonen. Een samensmelten van twee vrijwel gelijke doch enorm verschillende gezinsculturen.

21 november 2007

Ik ben er zo een

Ik ben zo'n vrouw. Ik ben zo'n vrouw die een nieuwe vent heeft. Ik ben zo'n vrouw die een nieuwe vent heeft en zich volledig in het nieuwe relatiewezen stort. Hoewel ik na mijn eerste samenwoonperikelen had gezworen dat nooit meer te doen. Zes jaar geleden ging vriendlief het huis uit en bleef ik achter zonder boekenplanken, wasmachine, televisie en vooral - o vooral - zonder sociaal leven. "Nooit meer!" zwaaide ik met mijn vuist in de lucht. "Nooit meer!" bezwoer ik mijn hervonden vrienden met de hand op het hart.

Ik ben zo'n vrouw die zich zes jaar later weer vol overgave in een samenwoonactie stort. Ditmaal iets ouder en iets wijzer en dus soort van met behoud van sociale contacten. Maar o o o wat vind ik het allemaal lastig. Relatie, werk, vrienden. En dan ook nog elke dag iets tikken. Ja. Volstrekt kansloos.

Maar het kriebelt. Toen ik laatst twee gebatikte getiedyede behennahaarde veertigers met sandalen hoorde praten over 'het Wezen van de Vrouw', met hoofdletters. Onder het genot van een kleffe McBacon. Het kriebelt. Toen ik gisteren een meisje van circa vijftien in iets te strakke kleren tegen haar vriendinnetje hoorde zeggen "Jaaa... en toen had hij dus die naaktfoto's van me gemaakt..." terwijl ze verveeld een sliert in haar haar draaide.

Het kriebelt. Wie weet gaat het ook weer tikken. Je weet maar nooit.

10 juli 2007

Hennescrisis

Ken je die spiegels bij de Hennes? Die spiegels die je zó kan draaien dat je kunt bekijken of je van achteren geen olietanker lijkt? Prima spiegels, als je wilt checken of de broek het leuk doet om de billen. Prima spiegels, als je wilt checken of die rits van achteren niet bobbelt. Maar in je slipje en je bh, met je witte harige bovenbeentjes. Met die hobbel net boven/onder/op de heupen. Met die kuiltjes waar je geen kuiltjes wilt zien. In mijn ondergoed is die spiegel mijn vijand.

Ik probeer er omheen te kijken, maar kan het niet nalaten. Het is als een auto-ongeluk op de andere rijbaan. Het is als praten met iemand met een ontzettende wijnvlek in het gezicht. Het is als als die dode kat op de vluchtstrook. Je wilt niet kijken, maar kan het niet laten.

Ik zie een ander lichaam dan ik vroeger had. Die magische 60 kilo-grens heb ik het laatste jaar overschreden. Ik denk niet dat ik haar ooit terug ga zien, behalve in mijn binnenspiegel. Gekleed zie ik er piekfijn uit. In mijn ondergoed, onder de tl-verlichting, de spiegel op de billen gericht, zie ik een ander lichaam dan vroeger. Een lichaam dat past bij mijn leeftijd. Een lichaam dat recent een paar weken in een rolstoel zat. Eén been dunner dan het andere. Grote rode littekens op mijn dijen.

Vanavond ga ik even eten met vriend E. Waarschijnlijk neem ik een groot stuk vlees met frieten. Die ik wellustig in de mayonaise doop. Waarschijnlijk drink ik een biertje. Waarschijnlijk prik ik lusteloos in mijn salade. Ik ben nu eenmaal geen joggend volkorenbrood-etend salade-lievend meisje. Ik hou van frieten. Ik hou van een biertje. Ik hou van kaasjes en toastjes en grote stukken vlees. Ik hou van avonden lang borrelen met fijne mensen, bitterballen bij de hand.

Soms, bij de spiegel van de Hennes, moet ik even zuchten. Denk ik weemoedig aan het moment dat een jongen tegen mij zei "Je hebt mooie benen. Andere meisjes hebben soms van die putjes." En dat ik dacht "Putjes? Huh? Wat bedoel je?" Dat moment is inmiddels vijftien jaar geleden.

Maar mijn lijf is mijn lijf. Mijn lijf kan lopen, praten, lachen, nadenken, verliefd zijn, verdrietig zijn, dansen en zingen. Hoewel ik dat zingen beter kan laten. Ik hou nou eenmaal van frieten en biertjes en bitterballen. Soms een tomaat, maar laten we het vooral niet overdrijven. 61 kilo pure annemárie. 61 kilo pure levenslust.

02 juli 2007

De geit van dokter Sanders

Ze heeft een aanstekelijke giechel. Ze lacht haar tanden regelmatig bloot. Ze is rustig en professioneel en verzint slimme dingen voor onze klanten. Ze houdt van de H&M en de Zara en kan de dag niet doorkomen zonder koffie. Ze draagt stiletto's en verft haar haar rood.

Onderweg terug van onze klant in België verzuchtte ik "En dan zometeen met een wijntje op de bank! En spareribs bestellen! Man, daar heb ik zin in."
Ze giechelde en zei "Ik zou het niet weten, dat mag ik niet."
"Is dat vanwege je geloof?"
"Ja."
"Dus je bent praktizerend moslim? Hoe uit zich dat dan?"
"Nou ja, ik drink geen alcohol. En ik eet geen varkensvlees. En ik bid vijf keer per dag."
"Maar we zijn net de hele dag samen bij de klant geweest! Hoe doe je dat dan met bidden?"
"Ik heb vanmorgen gebeden, voor ik wegging. Daarom stond mijn wekker ook om kwart voor zes. Dat ik nog even tijd had om te bidden. En dan spaar ik het op, want ik vind het bij de klant niet kunnen. Dus vanavond haal ik het in."
"Echt? En hoe voelt dat dan? Als je bidt? Doet dat iets voor je?"
Ze keek bedachtzaam; een hele verandering na haar gewoonlijke brede lach. "Nou. Ja. Dat is een moment voor mezelf, soort van. Als ik bid ben ik heel even alleen met mezelf en word ik stil van binnen. Het is gewoon even. Ja. Hoe zeg je dat. Rust. Ofzo?"

Hoewel ik mijn glas wijn niet wil vergelijken met welke god dan ook, denk ik dat mijn moment op de bank, mijn moment met mijn glas wijn, mijn moment dat ik de dag van me af laat glijden en mijn benen omhoog gooi. Mijn moment dat ik even helemaal mij ben. Alleen en tevreden. Op de bank. Ik denk dat mijn moment in mijn hoofd precies hetzelfde voelt als haar gebed in het hare.

Ken je dat rijmpje van Annie MG Schmidt?
"De geit van dokter Sanders
is anders, is anders,
is anders van model
dan de geit van dokter Snel
dan de geit van dokter Snel
dan de geit van dokter Snellebellebel."

We zijn anders, maar slechts anders van model.
Dan de geit van dokter Snel.

29 mei 2007

Afscheid: deel 3

Die woede-fase, dat is best een lekkere fase. Je slaat wat met je vuist op tafel. Je stompt eens tegen je kussen. Je stampt eens lekker met je voet. Je vervloekt W en je vrienden vloeken mee. Daar zijn het per slot van rekening loyale vrienden voor. Ik weet ook wel dat niets zwart-wit is en de waarheid altijd in het midden ligt, maar het versimpelen tot roetzwart (W) en lelieblank (mijzelf) en alle oprechte toorn die daarmee gepaard gaat, is heel prettig.

Normaal gesproken smeer ik deze fases uit over een iets langer traject, maar op het moment doorloop ik liefdesverdriet, de 45 toeren versie. Het is nu tijd voor stille contemplatie. Een weemoedige glimlach. Gedoseerde boosheid. Gedoseerd verdriet. Zoals vriendin S van W zei: "Je bent geen onzettende trut dat je voor de charmes van W viel. De charmes van W zijn charmant, maar helaas niet deelbaar."

Het is tijd voor contemplatie. Nagenieten van de leuke dingen bij de aanblik van mijn twee vechtende katten. Bij het drinken van een glaasje wijn. De charmes van W zijn inderdaad niet deelbaar. Dat is eerder zijn verlies dan het mijne.

Ik overdenk het varen met de boot en hoe ik verbrandde. Ik overdenk de vele goeie biertjes in de kroeg. Ik overdenk zijn opwinding bij de opening van zijn expositie en hoe vertederend dat was. Ik overdenk zijn luide 'Ja!' als hij de telefoon opnam, en hoe dat me in den beginne deed smelten. Ik overdenk het feit dat ik met een afscheid van W helaas ook afscheid neem van zijn vrienden. Stuk voor stuk leuke mensen.

Tijd voor contemplatie, maar helaas maar kort. Ik moet namelijk vreselijk hard studeren voor mijn Prince2 examen. Misschien was het anders gelopen als ik met W een Project Initiatie Document had opgesteld. Dan was al in de fase 'Opstarten Project' duidelijk geworden dat wij samen geen Business Case hadden, dat de Stakeholders van mening verschilden over de Acceptatiecriteria, en dat de Afsluiting van het Project voortijdig zou plaatsvinden.

Helaas had ik in november nog nooit van een PID gehoord.

28 mei 2007

Afscheid: deel 2

Inmiddels ben ik aangeland in de woedende fase. Na verdriet kwam de woede op kousenvoeten binnensluipen. Ik vertelde vriendin M dat ik serviesgoed op zijn hoofd wilde stukslaan. "Als hij nu naast me zit doe ik zo PATS! Hoppa!" Ze moest lachen en vroeg waarom. Toen ik het vertelde was het even stil, aan de andere kant van de telefoon. "Mijn mond deed dus nu letterlijk van openvallen. Serviesgoed? Een honkbalknuppel!"

Waarom is het toch dat vrouwen vaak denken dat ze een man kunnen veranderen? Dat de man in kwestie het al lastig vindt om samen een ijsje te kopen, laat staan samen wónen, dat zullen ze hem wel afleren. Zij zal degene zijn met wie het wel lukt! Ongeacht de staat van dienst van de man in kwestie. Ongeacht je eigen grenzen, die je wel degelijk kent, maar waaraan continu geknabbeld wordt door een opmerking hier, een daad daar. Tot ze een miniscule hoelahoep rond je middel vormen. Een riem, als het ware.

Vriendin E zei het mooi. "Je koopt ook geen flat in de hoop dat het een villa wordt. Steeds maar poetsen en poetsen en hoopvol uit dat raam blijven kijken of het zwembad er al ligt. Als ik nou genoeg poets verdien ik toch godverdomme een zwembad! En maar blijven hopen. En maar blijven poetsen. Maar het blijft altijd een kutflatje op drie hoog achter."

Ik ben in de woedende fase aangeland. Mijn kussen heeft het zwaar moeten ontgelden vannacht. Woest stompte ik hem keer op keer in vorm. Woest draaide ik me nog eens om. Met fonkelende ogen staarde ik naar het plafond. "Botte klootzak! Ontzettende lul!"

Maar eigenlijk ben ik natuurlijk vooral kwaad op mezelf. Dat ik zo'n vrouw ben. Een vrouw die haar grenzen kent maar ze rekbaar acht. "Ach.. hij bedoelt het niet zo. Ach.. zo is hij nu eenmaal."

Ontzettend stomme trut. Volgende keer ga ik voor de villa.
Met zwembad.

10 mei 2007

Eigen haard

Vijf weken lag ik in ziekenhuizen en revalidatiecentra. Drie weken ben ik nu thuis. Ik zal eerlijk zijn; eerst voelde thuis niet als thuis. Elke keer als ik voorzichtig over de vierde tree stapte, zag ik een fantoom-annemárie met versgebroken heup daar zitten. Een hyperventilerende fantoom-annemárie, die nog vijf weken ziekenhuis en revalidatiecentrum voor de boeg had. Elke keer als ik mijn voordeur opende, moest ik even wrikken en hop-een-stukje-omhoog duwen, vanwege de schade die de politie heeft aangericht toen ze mij bevrijdden van die vierde tree. Ik wilde geen trappen meer, dacht ik. Maar eigenlijk hield ik mezelf voor de gek. Ik wilde vooral mijn eigen trap niet meer.

Enthousiast keek ik naar nieuwe huizen. Nieuwe huizen met andere trappen. Net zo gevaarlijk, maar zonder nare bijsmaak. Ik wilde mijn huis achterlaten, omdat ik vooral de herinnering wilde achterlaten. De herinnering en het besef van het feit dat je lijf stuk kan. Als je maar hard genoeg valt, ga je stuk. Punt. Je bent niet onaantastbaar en onoverwinnelijk.

Vandaag was ik in het ziekenhuis voor een dexascan. Deze gaat mij vertellen of er iets mis is met mij, dat ik binnen een half jaar twee keer stuk ga. Ik ben een beetje bang voor de uitslag. Ook al betekent het waarschijnlijk alleen maar dat ik de rest van mijn leven meer melk moet drinken en soms pilletjes moet slikken, het zou wel gek zijn als ik ineens inderdaad osteoporose heb, waardoor ik links en rechts enkels en heupen breek. Als ik inderdaad ineens ècht oud ben, en niet meer bijna. Botgewijs dan.

Mama en ik liepen terug naar de auto na mijn scan. Een zoemend apparaat over mijn onderlichaam. Niet eng. En ik besefte en sprak uit dat eigenlijk niks eng is. Ik heb veel geleerd over mezelf de afgelopen tijd. Vanaf dat moment dat ik op de trap zat. Ik heb geleerd dat pijn altijd overgaat. Pijn blijft niet. Pijn lijkt soms ondraaglijk, maar pijn is morgen altijd beter dan vandaag. "Pijn heeft geen geheugen," zei mijn buurman in het ziekenhuis. En daar heeft hij gelijk in.

En weet je wat fijn is? Ik ben erachter gekomen dat ik onder elke omstandigheid het vermogen heb om er het beste van te maken en de positieve kant te zien. En dat is geen verdienste, dat is domweg een karaktertrek. Die wel eens handig kan zijn. Ik was zielsblij dat ik het ziekenhuis uit mocht en zèlf mijn rolstoel kon rollen. En nu ben ik zielsblij dat ik me weer goed genoeg voel om aan het werk te gaan.

Mijn lijf kent nu grenzen. Ik loop mank, en blijf dat voorlopig waarschijnlijk doen. Ik heb soms pijn, en zal dat voorlopig blijven hebben. Als ik iemand een trap op zie rennen ben ik een tikkie jaloers. Jaloers op de vanzelfsprekendheid waarmee die iemand dat doet. Maar binnenkort kan ik weer autorijden. Zwemmen kan ik al. De winkels om de hoek red ik. Ik ga de stad in en de kroeg in. Barkrukken lukken nog niet, maar een stoel aan een tafel is een eitje.

En wat ik vooral kan: mijn eigen huis heroveren. Mijn eigen huis, dat vijandig geworden was. Mijn eigen huis, waarin de stormram van de politie weerklonk. Waarin mijn pijngehijg nog weerkaatste van de muren. Mijn eigen huis begint weer langzaam van mij te worden. Een plek waar ik mijn stempel op druk, door middel van verfkwast, marktplaats en Ikea. Een plek waar fantoom-annemárie begint te vervagen.

Ook al zijn keukentrapjes nog niet ideaal, ik bestijg ze. Met behulp van krukken. Om gevels te witten, gaten te boren, lampen op te hangen.

Het heroveren van eigen haard is goud waard.

04 mei 2007

De postbode

Tussen het in-de-zon-zitten-en-boeken-lezen door, wierp ik binnen een blik op mijn computerscherm.
Wout zegt:
Hee schatje!
Wout zegt:
Hee!
Wout zegt:
O jammer, je bent er niet
Nee. Ik was er niet. Ik was namelijk heel druk met in de zon zitten en boeken lezen, terwijl W in een internetcafé in Luxemburg contact probeerde te zoeken.

Vloekend sloeg ik op mijn toetsenbord. Meteen heb ik een mailtje gestuurd. 'Schatje! Wat jammer dat ik je heb gemist! Alles leuk?' Om vervolgens zijn blog te checken en te zien dat ja, inderdaad, alles leuk is. Dat de bakbrommer in het stof van vriend Kliko bijt, want veel minder vermogen. En me te ergeren aan zijn tikfouten. Zo ben ik dan ook wel weer.

Maar hee maar ho maar wacht eens even... W is een maand weg. En mijn brievenbus, laat maar. In die brievenbus gaat geen ansichtkaart vallen. Geen kaart waar zijn hand overheen gegleden is. Waar ik misschien nog een spoor van motorolie op zou bespeuren. Waar een snufje karakteristieke W-geur aan hangt.

Waar is de romantiek gebleven? De romantiek van de voetstappen van de postbode. Het geklepper van je bus. Het als een aangeschoten hinde (in mijn geval) de trap af hobbelen en de kaart van de mat rapen. Het kussen van de langverwachte kaart. Het met gelukszalige glimlach de kaart aan het bonzende hart drukken. Niet dat ik dat ooit zo doen, maar het gaat om het idee.

Elke dag krijg ik een smsje. Elk internetcafé zal hij ongetwijfeld zijn mail checken en zijn blog bijwerken. Waardoor niet alleen ik, maar ook zijn ouders en zijn vrienden en kennissen en bakbrommerpeeps de vorderingen volgen. Het had weinig gescheeld of ik had hem zelfs bij Hart van Nederland kunnen zien.

W, ergens op een bakbrommer in de Alpen. Met zo ongelooflijk veel digitale lijntjes naar huis. Met mail, msn, sms, blogpostjes. Wildkamperen en bakbrommeren en intussen elke paar dagen internet en een mobiele telefoon die op te laden is aan de accu van de bak.

Ik wil een ansichtkaart! Een ansichtkaart die naar W geurt! Ik wil de romantiek van het verlangen naar de postbode. Maar ik vrees dat mijn verlangen onbevredigd blijft. Hij heeft alleen mijn e-mailadres. Niet mijn èchte.

03 mei 2007

Hyves

Laatstelijk ben ik 'into Hyves'. Aan huis gekluisterd zijn doet wonderen voor je internetvaardigheden. Wanhopig graai ik om me heen naar digitale Hyvesvriendjes. Publiekelijk je vrienden tellen en erachter komen dat het bestand karig is, doet wanhopig graaien. In mijn geval althans. Er zijn vast mensen die denken 'Pah! Vrienden! Tssss... wie heeft ze nodig.' Nou, ik. Ik dus. Vooral als je populariteit levensgroot op scherm staat.

Op zoek naar nieuwe contacten surfte ik naar mijn middelbare school. Willemijn, zag ik. Willemijn, begonnen in 1999. 286 vrienden. Ik bekeek Willemijn. Dacht 'Goh, die ken ik niet. Moet toch van mijn jaar zijn.' Ik vond een Frank. Begonnen in 1999. Die kende ik ook al niet. Toen kwam de mokerslag. Ik verrekende mij. Verrekende mij een heel decennium. Tien jaar, had ik van mijn eigen leeftijd en levenswijsheid afgeknabbeld.

Ik zocht verder. Ditmaal in het juiste decennium. Vond Mijn Grote Liefde van vroeger. Immer platonisch, maar in mijn hoofd o zo passioneel en intens. Ik mailde hem enthousiast. We haalden herinneringen op aan vroeger. Shaggies roken in het park. Shaggies roken onder het scheikundelokaal. Shaggies roken en zwaaien naar Mandela, die in een grote limousine langs kwam rijden. Mijn middelbare school was tegenover het Catshuis. Wij hebben menig wereldpoliticus bezwaaid in de pauze.

"Samenwonen? Getrouwd? Kinderen?" vroeg hij. "Haha. Nee joh. Ik ben zo'n trut van dertig met twee katten. Je kent ze wel", antwoordde ik. Tot op heden geen bericht terug. Intussen staat hij in mijn vriendenlijst te pronken, maar bericht terug, ho maar. Vrouwen van dertig zonder huwelijken en kinderen zijn de lepralijders van de 21e eeuw, krijg ik het idee. Dat idee wordt bevestigd door de overige Hyvesklasgenootjes. Men pronkt met baby's. Men pronkt met mij onbekende achternamen. Men heeft een brede 'ik ben succesvol'-glimlach. Dat de gelaatskleur wellicht doet denken aan stopverf en men kleren draagt waar je vroeger nog niet dood in gevonden wilde worden, daar gaan we even aan voorbij. Of klink ik nu bitter?

Ik ben een vrouw van dertig met twee katten en een Hyvesverslaving. Ik bekende mijn recent ontloken verslaving aan Rik.
"Hyves ja. Hmm... Ben je daar niet wat te oud voor?" zei hij.

Ja. Ik ben er te oud voor. Godzijdank zijn er velen met mij. Veel te oud voor Hyves, maar met een decennium extra in de binnenzak. Een decennium waarin geleefd en geleden en liefgehad is. Waarin een Hyvesprofieltje is aangemaakt met een bescheiden aantal èchte vrienden. En dat is dan best wel weer prettig.

01 mei 2007

W gaat op reis

W en ik hebben het soort relatie van "Hee! Leuk dat ik je weer zie!" En nooit "Wanneer zie ik je weer schat? Zeg me wanneer!! NU!" Ik heb daar geen moeite mee. Voel me daar goed bij. Maar de laatste weken heeft W zich ongemerkt de positie van Rots In De Branding veroverd. Nog steeds zeggen wij niet "Wanneer zie ik je weer?" maar het is vanzelfsprekend geworden dat hij me ophaalt als er leuke dingen te doen zijn. Dat hij me voor gaat op trappetjes om mijn val te breken. Dat hij tegen Jan en Alleman zegt dat ik mijn heup verbrijzeld heb en mijn littekens beschrijft en vertelt dat het echt heftig was. Zodat ik bescheiden op de achtergrond kan glimlachen en zeggen "Maar het gaat echt goed met me hoor, nu. Echt super."

De laatste weken zijn W en ik wat - sja, hoe zal ik het zeggen - relatieïger geworden, zo samen. We genieten binnen de grenzen van mijn mankelarij erg van elkaar. We lachen samen. Doen leuke dingen, voornamelijk zittend. Hij beschermt me. Baant mijn weg door de massa. Zo ook gisteren, op de vrijmarkt.

En ineens.. ineens kreeg ik het spaans benauwd. Al die mensen die me omver konden lopen. Al die mensen op wie ik verschrikkelijk jaloers ben omdat ze überhaupt kùnnen lopen zonder erbij na te hoeven denken. Ik was moe, had honger, voelde me ingesloten en bedreigd. Tranen vloeiden achter mijn zonnebril.
"Ik wil hier niet zijn. Ik wil weg hier. Ik wil. Ik wil. Ik kan dit niet. Zet me ergens neer en geef me te eten. Maakt niet uit wat. Ik wil weg van hier en van al die mensen." Als ik had gekund, was ik erbij gaan stampvoeten. Labiel tot en met, was ik. De tranen stonden mij de hele dag hoog achter de ogen. Soms sijpelde er een van achter mijn zonnebril over mijn wang.

Vandaag namen wij afscheid. Voor een maand. W gaat een maand met zijn bakbrommer naar de Alpen. En plots realiseerde ik me waar die tranen vandaan kwamen. Waarom ik zo gruwelijk labiel en chagrijnig was, onze laatste dag samen.

Ik ga hem missen. Verdomd zeg. Niks voor mij.

24 april 2007

Seksist

Laatst bekeek ik een huis. Met mijn vriendje. Hetgeen niet betekent dat ik dat huis met W ga kopen. Geëmancipeerde vrouw als ik ben, ben ik zeer goed in staat zelf een huis te kopen. Behalve dat het wel handig is als W slimme dingen kan zeggen over de bedrading. Ik was zelfs een tikkie geaffronteerd toen de makelaar vroeg of het huis voor ons samen was of voor mij alleen. Natuurlijk voor mij alleen! Wat denk je wel! Zelfstandige vrouw! Blabla!

Op de stoep wachtten wij tot we naar binnen mochten. Door het raam zag ik een meisje, mijn leeftijd. Ze inspecteerde de vensterbanken. "O, kijk. Een jong stel," zei ik. Om mij meteen daarna de verslikken in mijn eigen seksisme. "Ooohooo!! Hoor je dat?! Ik zei een jong stel, terwijl ik alleen het meisje zag! Misschien is het wel een meisje alleen, net als ik! Wat stom dat ik er vanuit ga dat het wel een stel zal zijn. Alsof een vrouw alleen geen huis koopt. Duh! Jeetje! Ik schrik een beetje van mezelf!"

Gisteren ontmoette ik mijn nieuwe buurvrouw. Zij zat op het dakterras. Ik zat op het dakterras. We keken tegelijk op en schudden handje, langs de schutting.
"Hoe lang wonen jullie hier nu al?" vroeg ik.
"Uuuhm. Ik woon alleen."

Ik schrik heel erg van mezelf!

15 april 2007

Autoslaaptrein

De ochtend kriekte, en wij ratelden met de autoslaaptrein naar Zuid-Frankrijk. Het licht was dat mooie grijsroze dat je hebt als de zon aarzelend de eerste stralen over de horizon werpt. Ik was een jaar of tien en vond alles spannend. Met papa en mama op de trein. Papa manoeuvreerde de auto behendig op de autowagon terwijl mama en ik amechtig op een bankje zaten te hijgen van de hitte. Naast ons werd een jongen gestoken door een wesp. Zijn moeder besprong hem fluks en zoog het gif uit de wond in zijn nek. Een zonnig vampiresk tafereel dat ik met verbazing aanschouwde.

De trein wiegde en schudde en ratelde ons naar onze bestemming. Met mijn vingertoppen tegen aan de ene kant het raam en aan de andere kant de slaapcompartimentdeuren zwalkte ik door de smalle gang. Zeebenen. Ik vond alles spannend en ongeacht mijn kinderlijk diepe slaap was ik nog voor het ochtendgloren wakker. Ik klom uit mijn stapelbed en kleedde me haasthaastig aan om maar niets te missen. In de gang drukte ik me plat om plaats te maken voor de meneer die het ontbijt bracht. Met mijn neus tegen het raam ratelde de trein door een klein Frans stadje. Het grijsroze licht streek over de achtergevels van huizen langs het spoor. Huizen die vervelden van de zon. Huizen die een beetje scheef waren, een beetje mank. Met overwoekerde tuinen. Het was een uur of zes, denk ik.

De trein minderde vaart. Het stadje sliep nog, en de trein wilde haar niet doen ontwaken. Ik zag een heel dikke Franse meneer de deuren van zijn slaapkamer open zwaaien en zijn balkon betreden. Volgens mij had hij een witte kamerjas aan en zàg ik hem diep ademhalen. De ochtendlucht insnuiven. Zijn armen spreiden. Maar het kan ook zijn dat mijn geheugen er iets mooiers van maakt dan het was.

Dat was de allereerste keer dat ik me realiseerde dat ik niet het centrum van het universum ben. Dat die meneer één seconde op mijn netvlies was en dat ik, met al mijn neus-tegen-de-ruit-gedruktheid niet eens zichtbaar was, voor hem. Dat ik slechts een trein was die langsratelde, 's ochtends vroeg. Dat deze dikke Franse man een heel leven had buiten mij, buiten deze trein. Dat hij misschien wel banketbakker was. Of ongelukkig in de liefde. Of een hond had die César heette.

Zojuist ben ik begonnen aan een nieuw boek: Making It Up, van Penelope Lively. Daarin The distorting feature of anyone's perception of their own life is that you are the central figure. Me; my life. But nobody else sees it thus. For others, you are peripheral. You may indeed be of significance to them - of great significance, perhaps - but equally you may make barely an impression; either way, you are not the seeing eye. You are an adjunct, a bit player.

Dagdroomhuis

Waar ik eerder een gebroken enkel als een uitmuntend excuus zag om nieuwe enkelvriendelijke schoenen te kopen, zie ik nu een gebroken heup als een uitmuntend excuus een nieuw huis te kopen. Een huis met een heupvriendelijke trap.

Het moet een huis zijn met glas-in-lood, en dan liefst niet lila met groen zoals ik nu heb, maar vermiljoen met kobalt. Of zoiets.

Het moet een huis zijn met een tuin, waar ik gewapend met schepje en zonnehoed plantjes kan verpotten. Of wat je ook doet met plantjes. Iets met een zonnehoed in ieder geval.

Het moet een huis zijn met een schuur. Liefst een schuur met een soort overwoekerd karrepad erheen, waar ik mijn oldtimer in kan bewaren. De oldtimer die ik met een poetsdoek van oude zomerjurk liefdevol verzorg.

Het moet een huis zijn met een keuken met een groot raam. Een groot raam met buiten klimrozen en binnen een vensterbank met tijm en rozemarijn. En dat ik dan elke dag appeltaarten bak.

Het moet een huis zijn aan het water. En dat ik dan een klein houten roeibootje van mijn steiger los kan knopen om te gaan picknicken op het eilandje. Het eilandje waar ik vanuit mijn woonkamer zicht op heb.

Het moet een huis zijn waar ik op blote voeten over ruwhouten vloeren loop, gehuld in witbroderie jurken. En waar de katten zich wellustig om mijn enkels draaien, bedelend om voedsel. En dat ze dan geen blikvoer krijgen maar hart. Ofzo. Als hart niet zo zou stinken.

Het moet een huis zijn met flapperend wasgoed aan de lijn. Met een schommel in de appelboom. En gekke tafeltjes van de brocanterie gecombineerd met vintage Corbusier. Met mijn eigen rietkraag, aan het water. Met permanent de geur van appeltaart. En dat ik dan helemaal niet meer 'in de ICT' werk, maar iets anders doe. Wàt precies weet ik niet. Iets met een galerie, of misschien wel iets heel truttigs met tweedehands meubels. Of dat ik exclusieve feestjes cater. Of misschien wel dat ik les geef in het volmaakt tevreden zijn. Dat ik in ieder geval vreselijk veel vrije tijd heb, voor al die tevredenheid. Daar in dat huis.

Wat een zomerse zondag en een rondje Funda al niet doet,
met je gedachten.

02 april 2007

The great escape

In de micro-cosmos die revalidatiecentrum heet, wordt iedereen teruggeworpen op de meest basale behoeften. De behoefte te eten, slapen. Een treetje hoger staat de behoefte aan autonomie in het eten en slapen. En als je zelfstandig kunt eten en slapen, komt de behoefte aan menselijk contact om de hoek kijken. Dit menselijk contact is grofweg op te delen in twee categoriën.

1. O, wat ben ik zielig. Ik heb wel elf zakken bloed gehad bij mijn operatie en ik zit hier al tien maanden en.. wacht even, jij bent nieuw hè. Dan heb je nog niet gehoord over mijn kinderen, die nooit komen. En die niets maar dan ook niets voor me willen doen. En ik kan 's nachts niet slapen van de pijn.
2. Ja, zometeen doen ze de wondenronde. Hoor jij bij de wondenronde? Die van mij is nu een beetje groenig aan het worden, maar als hij beter is mag ik naar huis. Heeeee! Stoofpeertjes vandaag! Heb je trouwens al gehoord dat het vandaag achttien graden wordt? Lekker hè?!

Het is frappant te merken dat mensen zo enorm verschillen in de manier waarop ze met tegenslagen omgaan. Want als je hier bent mag je wel zeggen dat je een tegenslag of wat te pakken hebt. Ik ben gehandicapt light, met mijn gebroken heup. Er zijn hier mensen die hun bed niet uit kunnen en juichend vertellen dat ze over twee weken op hun buik mogen liggen. Er zijn hier mensen die een raadselachtige ontsteking in hun ruggenmerg hebben waardoor ze van het ene op het andere moment verlamd raakten, zonder hoop op herstel. En er zijn hier mensen die net als ik hun heup gebroken hebben, tien maanden terug, en die weigeren naar huis te gaan omdat ze nog véél te graag verzorgd willen worden.

Deze laatste groep is eeuwig op zoek naar toehoorders, meeknikkers, empathiekelingen die op exact de juiste momenten "Nounou, dat valt niet mee denk ik. Goh. Heeft u nog steeds zoveel pijn? Elf zakken zei u?" murmelen. Ze hebben het razendsnel door als er een nieuweling rondrolt en liggen massaal voor je in hinderlaag achter de gordijnen. Ze bespringen je aan tafel, op het terras, in de woonkamer. Ze manoeuvreren hun rolstoel naast de jouwe en hun openingszin is steevast een diepe diepe diepe zucht.

Ik bekwaam mij in het "Uhuh. Uhuh. Goh, wat naar. Uhuh." Dit kan ik minstens een uur volhouden. Terwijl het beklaagde mijn ene oor in en het andere uit gaat. Hoewel ik me nog ZO had voorgenomen Een Beter Mens te worden van dit revalidatiegebeuren - een opener, meevoelender, empathieker mens - lukt dit slechts bij vlagen. En dan wel exact díe vlagen dat een oud dametje post-rugoperatie in haar rolstoel tegenover me zit en zegt "Goh. Denk je dat Boijmans rolstoeltoegankelijk is? Daar is nu een expositie waar ik wel graag heen wil. Zullen we gewoon ontsnappen dit weekend? Dat we naar buiten rollen en niet meer terugkomen? Zalig meis. Laten we dat doen!"

29 maart 2007

Halfleeg? Halfvol?

Eerder heb ik opgesloten gezeten met een rochelende reutelende tachtiger die mij voor verpleegster aanzag en elke twee minuten aan haar bed rammelde en haar longen uit haar lijf hoestte. En daarna het gore lef had te sterven in mijn nabijheid. Eerder heb ik opgesloten gezeten met een Haagse tandeloze dakloze vrijwel breinloze man met - naar uiteindelijk bleek - een gouden hart.

Eerder dacht ik dat ik het best zwaar had. Ik smste in de nacht Vriendin M dat ik mezelf genoodzaakt zag mijn kamergenoten te smoren met hun eigen kussen. Vriendin M antwoordde dat ik in het ziekenhuis ontoerekeningsvatbaarheid vast makkelijk kon aantonen en er dus voor moest gaan. Ik gniffelde, en dat verzachtte de pijnlijke ergernis.

Maar nu. Maar nu. Maar nu heb ik het pas echt zwaar. Niet hier in het revalidatiecentrum an sich. Men is over het algemeen uitzonderlijk positief en aangenaam in de omgang. Nadat het "Wat heb jij?" is afgetast, word je zonder verdere vragen opgenomen in de commune die Afdeling Drie heet en mag je meedoen met de kook- en bakclub, Mah Jong en bloemschikken. En als je geluk hebt - zoals ik vanmorgen - rollen er hulpeloze oude dames rond die post-hersenbloeding eindelijk eens willen leren internetten. Wikipedia heeft nu, dankzij mij, geen geheimen meer voor ze.

Maar nu. Maar nu. Maar nu heb ik een kamergenote die als een zwarte donderwolk boven haar bed hangt. Alles is saai. Alles is stom. Ze verveelt zich. Ze heeft pijn. Er is helemaal niets te doen. Iedereen is vervelend tegen haar. En die stomme rolstoel staat ook nog eens in de weg. En het is toch echt verschrikkelijk irritant dat ze nu zittend moet douchen. En ze slaapt slecht. En haar haar zit kut. En ze kan geen leuke kleren meer aan.

Ik word gek van het mens. Het mens heeft een been gebroken. In iets heftiger mate dan ik. Vooruit, dat moet ik toegeven. Maar ze is 27. En het gaat allemaal weer goed komen. Ze is ergens waar je nota bene wijn mag drinken 's avonds. En waar een rekje Elle's op je staat te wachten in de eetzaal. En je ongebreideld mag koken en bakken en ministecken en bloemschikken.

Ik vermaak me hier uitzonderlijk goed. Praat met rolstoelgebonden dames over hoe ze zo mooi op gewicht blijven. Wissel museumverhalen uit met dwarslaesie-patiënten. Leer dames met recent kaalgeschoren hoofden internetten. Bespreek de verzorging van je katten met mannen zonder onderbeen.
Ik kruk of rol een rondje. Praat een rondje. Lach een rondje. Bedenk dat ik over een dag of twee als de wonden dicht zijn mag poedelen in het therapeutisch zwembad. Drink een wijntje. Lees een Elle.

Ik keer terug naar mijn kamer. Het licht is uit. Kamergenoot M ligt amechtig op bed en kreunt "Er is hier helemaal NIETS te doen."
Met een theatrale polsbeweging zwenk ik mijn rolstoel weer richting deuropening. Ik kan hier ZO slecht tegen.

28 maart 2007

Revalidatieverhalen

Ik voel me bijna schuldig. Ik voel me bijna schuldig omdat er niet genoeg mis is met mij. Ok, vooruit, ik heb een gebroken heup en een bijzonder fraaie ritssluiting in mijn bovenbeen. Maar ik ga beter worden. Sterker nog: ik ben al bijna beter. Het scheelt weinig of ik kan weer voetballen. Voor zover ik dat om te beginnen al kon, natuurlijk. En mijn balgevoel is niet om over naar huis te schrijven.

Vanmiddag kwam ik aan bij het revalidatiecentrum, na mijn allereerste rit met de rolstoeltaxi. Om eerlijk te zijn was de rolstoel alleen nodig om mijn veelheid aan bagage te vervoeren, want zelf kruk ik er lustig op los. In de gang werd ik aangeklampt door Judith.
"Eindelijk een soort van normaal iemand! Een jong iemand!" riep ze enthousiast.
"Wat heb jij?" voegde ze er direct aan toe.
Nadat ik haar had uitgelegd van heup breken en domdomdom, voortaan nooit meer van de trap vallen want niet handig, vroeg ik "En wat heb jij?" Met één oog op haar enkele kruk, waarmee ze bijzonder goed uit de voeten kon.
"MS"

Damn. Het is heel gek om op deze manier met je neus op je zegeningen gedrukt te worden.

26 maart 2007

GB

Elke dag krijgen wij een menukaart, waarop we moeten aankruisen of we een kleine, medium of grote gehaktbal willen. En of we runder- of varkensjus geserveerd willen bij de gekookte of gepureerde aardappelen. Waartussen je overigens geen onderscheid ziet. Mijn dag bestaat uit liggen, zitten, eten, lezen, artsen aan je bed, nadenken over eten, eten, liggen, bloeddruk meten, eten, zitten, nadenken over eten, eten, slapen. Verder niets. Eten is het hoogtepunt. Vooral op woensdag en zondag, want dan krijgen we een eitje bij het ontbijt.

Ik smeekte W mij verhalen te vertellen van het echte leven. Hij vertelde over drukdruk en feestjes en exposities en barkrukken en een kater. Ik huilde een aantal wanhopige tranen.
"Jij wil ook een kater, hè?" zei W meelevend.
Ja. Ik wil ook een kater. Ik wil gesprekken over vanallesennogwatbehalvevoedsel in de kroeg. Ik wil een dikke malse biefstuk met gorgonzola en mijn eetdate in zijn of haar oog prikken met mijn vork uit a-motorisch enthousiasme. Ik wil weer naar een museum. Ik wil überhaupt weer naar buiten. Hunkerend staar ik door het raam naar kale takken tegen een achtergrond van lelijke flatgebouwen. Ik wil naar mijn eigen bank en mijn eigen Senseo en mijn eigen katten. Ik wil tapas en borrels en vrienden en luid gelach.

In mijn zorgdossier staat al dagen GB. Geen Bijzonderheden.

Inderdaad. Verdomme.

23 maart 2007

Kleren maken de man

Mijn moeder ziet het altijd direct aan me als ik me niet zo best voel; geestelijk dan wel lichamelijk. Dan draag ik namelijk een afschuwelijke lichtblauwe fleecetrui, waar ik mijn handen helemaal in kan verstoppen. Met fleecetrui en rooddoorlopen ogen scharrel ik door mijn huis. Als ik de trui zelfs buitenshuis aan houd - zoals bij een opbeurend bezoek aan mijn ouders - weet mijn moeder dat een kopje thee en troostende woorden niet zullen volstaan. Een warm bad en een ENORME zak chips komt dan beter in de buurt.

De afgelopen twee weken heb ik eruit gezien als een Oost-Europese kogelstootster. Zoals vriendin M zei: "Jij bevolkt een parallel kledinguniversum, als je in het ziekenhuis bent." Inderdaad. Ik draag wijde pyamabroeken, wijde T-shirts, héél grote oma-onderbroeken en bijzonder degelijke gympen. Heerlijk. Ik kan wegkruipen en mij verstoppen in mijn kleding en achter mijn ongestylede haar. Ik ben per slot van rekening heel zielig.

Maar volgens mij gaat het beter met me. Ik heb één strak truitje in mijn nachtkastje en ben daar al twee dagen niet uit te slaan. Ik kijk bedenkelijk in de spiegel terwijl ik aan mijn haar pluk. Ik smeer weer dagcrème. Ik verlang naar spijkerbroeken, hakjes en mascara. Ik glimlach breed naar artsen die 's ochtends aan mijn bed verschijnen en vervloek binnensmonds mijn lichtblauwe nachthemd met bloemetjes.

Ja. De kledingbarometer wijst 'beter' aan.

19 maart 2007

Mevrouw De Jong

Ze had een obsessie met klokkijken en telde in haar slaap van 1 tot 85 en weer terug. Met grote boze ogen keek ze me aan terwijl ze aan haar bed rammelde:
"Zuster, ik wil er graag uit. Kunt u mij uit bed helpen?"
"Ik ben geen zuster, mevrouw De Jong. Ik ben ook patiënt. En u mag uw bed niet uit, want u hebt een gebroken heup."
"Ik heb helemaal geen gebroken heup!"
"Jawel."

Mevrouw De Jong, buurman Van Beek en ik. Tot elkaar veroordeeld tijdens vijf dagen MRSA-quarantaine. Vier muren en een dichte deur, af en toe een verpleegster in ruimtepak. Artsen roepen ons vanuit de deuropening toe dat ze liever niet binnenkomen en dat ze hopen dat alles goed gaat. Geen snufje buitenlucht of zelfs maar gang. Mevrouw De Jong rochelde en reutelde. Zong liedjes. Vroeg mij elke vijf minuten haar uit bed te helpen. Waarop ik haar elke vijf minuten moest uitleggen dat dat niet kon.

Ik ergerde me kapot aan mevrouw De Jong. Als ze starend met haar gifkikkerogen op haar nachtkastje sloeg omdat ze gefrustreerd was. Want ze wilde uit bed. En ze leek het mij persoonlijk kwalijk te nemen dat dat niet kon. Ik ergerde me kapot als ze bubbelend adem haalde en haar yoghurt zo snel naar binnen schrokte dat ze moest overgeven. Ik ergerde me kapot. Omdat ik haar eigenlijk heel eng vond. Ik kreeg stress van haar gereutel en gebubbel omdat het ergens raakte aan al mijn eigen angsten.

Oordoppen dus. Met oordoppen in zat ik te lezen. Ik zag mevrouw De Jong bubbelen, maar hoorde niets dan mijn eigen ademhaling. En toen ineens was er paniek. Misschien geen paniek, maar focus. Focus en haast. De verpleging kreeg mevrouw De Jong niet wakker.
"Mevrouw De Jong, word eens wakker! Mevrouw De Jong! Mevrouw De Jong, hoort u mij? Verdomme wat is je voornaam. Mevrouw De Jong! Dit gaat niet goed hier. Mevrouw De Jong!"
Er werd geroepen over saturatie en bloeddruk, hartslag en pijnrespons. Artsen kwamen aangesneld, familie werd gebeld. Gordijnen werden dichtgetrokken.

Daar zaten wij, buurman Van Beek en ik. Achter onze gordijnen. Terwijl aan de andere kant van het gordijn mevrouw De Jong langzaam stierf, omringd door haar familie. Wij mochten namelijk geen van allen de zaal af. MRSA.

Pfffff.

15 maart 2007

Voor je het weet...

... bel je voor de tweede keer in je leven 112.
... zie je het gruis van je plafond vallen terwijl de politie je deur inbeukt
... zegt de ambulancemevrouw dat je misschien best wel eens flauw kan vallen van de pijn terwijl ze je de trap af tillen.
... lig je krijsend als een speenvarken in de ambulance, omdat de route naar het ziekenhuis ineens meer rotondes blijkt te hebben dan strikt noodzakelijk.
... zegt de behandelend arts "Goh. Dit is wel een beetje een gekke breuk. Als ik met zeven grote negers bovenop je heup was gesprongen was me dit nog niet gelukt."
... lig je als enige 65-minner op de afdeling verbrijzelde heupen.
... barst je in tranen uit bij het zien van je vele kersverse centimeters operatiewond.
... vind je het stiekem dan wel weer stoer dat ze de beste arts hebben weggerukt van zijn weekend om jouw been van binnen te veranderen in een soort Eiffeltoren. Omdat je nog zo jong bent. En helemaal niet Bijna Oud. Hah!
... jank je van frustratie als blijkt dat je je been maximaal drie centimeter kunt optillen.
... juich je triomfantelijk als je je eerste stappen zet met krukken.
... raak je compleet stoned van je eerste kop koffie in vijf dagen.
... kijk je vreemd op als er allemaal mensen in ruimtepakken binnen komen om je te vertellen dat er MRSA is geconstateerd op jouw zaal. En dat je vier dagen in quarantaine moet.
... leen je de laptop van je buurman-met-geamputeerde-voorvoet om de wereld te vertellen dat je een beetje een pechweek hebt gehad.

In vijf dagen van een meisje dat onderweg naar haar eerste kop koffie van de dag uitgleed op de bovenste traptree, naar een meisje dat niet eens zelf in en uit bed kan. En nu niet eens meer de kamer uit mag. Wegens een soort freakish 'hallo, alles gaat al mis, dus we doen er nog een schepje bovenop' grapje van god.

Life sucks, maar de narcissen in de vensterbank bloeien.
Alles sal reg kom.