Mijn oma is dood. Ik had er nog twee, en nu nog maar één. Mijn moeder belde gisteravond en ik hoorde meteen aan haar stem dat er Iets Was.
"Heb je even?"
"Ja, wat is er?"
"Oma is vanavond om half negen overleden."
Oma was nog puntgaaf en limoenfris, fysiek. Alleen geestelijk ging het wat minder. Vreselijk dement, om precies te zijn. Er viel geen gesprek meer te voeren met oma, omdat ze niets onthield. Haar kattige aard kwam naar boven, zo zonder remmingen. Ze heeft mijn vader - haar zoon - en haar dochters het leven behoorlijk moeilijk gemaakt de laatste jaren. Iedereen stal van haar. Haar kinderen waren op haar geld uit en hadden haar weggestopt in een verzorgingstehuis, waar ze weg kon rotten. Als mijn vader en zijn zussen dingen voor haar wilden regelen, stampvoette en schold ze. Ze was niet zo aardig.
Ook vroeger was ze niet zo aardig, maar toen kon ze het beter maskeren. Mijn vader en zijn zussen zijn streng en niet altijd rechtvaardig opgevoed. Soms denk ik dat dat doorwerkt in hoe ze nu in het leven staan. Soms bevestigen ze dat tegen mij. Maar hoe dan ook, wat er ook gebeurd is: hun moeder deed altijd wat haar op dat moment het beste leek. Ze zorgde, op haar manier. Zoals vriendin E zegt: "Ouders zijn niet perfect. Ze zijn vaak 'good enough'. En dat moet je onthouden. Good enough met goede intenties. Vergeef ze." Of zoals ik vroeger op de nonnenschool heb geleerd: "Forgive them Lord. For they know not what they do."
Mijn oma was mijn heldin, vroeger. Opa en Oma hadden een wit huis met rood-witte luiken, een strooien dak en een grote groententuin en een valse hond. Ik mocht worteltjes trekken voor het avondeten en kikkers vangen. Die kikkers nam ik mee naar binnen in een tupperware-doosje en oma Oehde en Aaahde dat het een lust was. En zei me dan ze weer los te laten.
Mijn nichtjes en ik plukten de hele bloementuin kaal en bouwden een kraampje, op het grasveld voor het huis. Daar verkochten we opa en oma hun eigen bloemen. Opa en oma vonden het fantastisch en betaalden grif geld. Voor hun eigen kaalgeplukte tuin.
Oma had een snoeppot. We mochten een Snoepje Van De Dag. En soms twee, of drie, of vier. En dan hield ze samenzweerderig de wijsvinger tegen de lippen. Samen voerden we de pony van de buren, en ze leerde me hoe je een suikerklontje op je vlakke hand aangeeft.
Oma heeft me leren haken. En breien. Oma had een lappenmand; die plunderde ik om barbiejurkjes te maken. Oma heeft me leren patroontekenen. Haar moeder was coupeuse en het komt door oma dat ik weet hoe een mouw in een mouwgat steekt.
Oma ging eens mee op fietsvakantie, met mij en mijn ouders. Vlak nadat opa was overleden. Oma en ik deelden een kamer. Ik zag haar naakt en vond dat best een beetje eng, zo op mijn twaalfde. Zo'n oud lichaam. Ik denk dat haar eigen kinderen haar nooit naakt hebben gezien.
Ik dacht dat het me niet zoveel deed, dat mijn oude demente oma was overleden. Dat het maar beter was. Ze heeft niet hoeven lijden. En wat was ze toch vervelend de laatste tijd. 86, een mooie leeftijd.
Ik dacht dat het me niet zoveel deed, maar nu ik dit tik en terugdenk naar de bloemen en de pony en de lappenmand huil ik. Huil ik dikke dikke tranen om wie oma voor mij was. Oma was namelijk oma.
En zo hoort het.